nieuwsVerslag symposium DESIGN=RESEARCH

Verslag symposium DESIGN=RESEARCH

Zo’n 90 mensen namen op 30 november deel aan het DSL-symposium DESIGN=RESEARCH in Velp over ontwerp als vorm van onderzoek binnen de landschapsarchitectuur. Een geslaagde dag, waarin vooral de breedte van het onderwerp en de verschillende zienswijzen werden geëtaleerd. Een rijke en waardevolle oogst, die ook de noodzaak voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijke taal en agenda duidelijk maakte.

Een breed gezelschap bestaande uit studenten, vakwereld, onderzoekers en docenten van hogescholen en universiteiten waaronder een afvaardiging van Hogescholen Gent en Brussel, meldde zich de 30ste in Velp. Het eerste deel van de middag stond in het teken van het delen van werkwijzen en visies door de Nederlandse masteropleidingen (Wageningen UR, TU Delft, Academie Amsterdam), bacheloropleidingen (VHL Velp en HAS Den Bosch) en vertegenwoordigers van bureaus (opdrachtnemers) en de overheid (opdrachtgevers).

Jan Herman Meijer, directeur van de Dutch School of Landscape Architecture opent de dag met een kort interview met initiator Steffen Nijhuis (TU Delft). Lees het volledige DSL-interview met Steffen Nijhuis.

Egbert Stolk, onderzoeker bij de TU Delft Urbanism Group en gespreksleider, verzorgt de inhoudelijke inleiding. Stolk is gespecialiseerd in de dynamiek van het ontwerpproces in relatie tot de complexiteit van omgeving. In zijn presentatie gaat hij in op de vraag wat ontwerpen eigenlijk is. Hoe onderscheidt het construeren van bouwwerken in de natuur, bijvoorbeeld gemaakt door dieren, zich van ontwerpactiviteiten van mensen? Maar ook: op welke manieren en schaal zetten we ontwerp in en hoe verhouden deze activiteiten zich tot de leefomgeving? Vervolgens gaat hij in op de vraag waar onderzoek en ontwerp bijelkaar komen. Stolk constateert een tendens tot polarisatie, ‘wij de ontwerpers’ en ‘zij de niet-ontwerpers’. Is er wel een tegenstelling tussen ontwerp en onderzoek? Dat hoeft helemaal niet zo te zijn, stelt Stolk. Er zijn genoeg voorbeelden van ontwerpende onderzoekers en onderzoekende ontwerpers. Tot slot onderscheidt hij vijf verschillende relaties: 1. Er is onderzoek ten behoeven van ontwerp, 2. Onderzoek naar het gerealiseerde ontwerp, 3. Onderzoek naar het ontwerpproces, 4. Ontwerpen door te onderzoeken en 5. Onderzoeken door te ontwerpen.

Presentatie Egbert Stolk 

Daarna is het woord aan Adrian Noortman (Hogeschool Van Hall Larenstein) namens de bacheloropleidingen – HAS Hogeschool Den Bosch en Hogeschool Van Hall Larenstein. De bachelors zijn praktijkgericht en de focus ligt dan ook op toegepast onderzoek. In de opleidingen draait het om leren ontwerpen en het ontwikkelen van onderzoekend vermogen. Dit wordt gekoppeld aan maatschappelijk relevante vraagstukken en ontwikkelingen. De organisatie is voornamelijk in handen van lectoraten. Onderzoeksvragen komen vanuit deze lectoraten, maar ook van buiten en uit eigen thema’s. Derde en vierde jaarsstudenten maken kennis met verschillende werkvormen en verschillende soorten onderzoek; praktijk en kennisgericht ontwerpend onderzoek, ontwerp-experiment en experimenteel ontwerp. Zie de presentatie hieronder voor voorbeelden. In een SWOT-analyse presenteert Noortman de ervaringen, problemen, dilemma’s en uitdagingen van de bacheloropleidingen. Belangrijkste punten zijn: 1. De zorgvuldige afweging tussen ‘vragen uit de markt’ en ‘eigen onderzoeksthema’s en onderzoekslijnen’, 2. afstemming kennisagenda enerzijds en de onderwerpen en behoeftes vanuit modules en afstudeeropdrachten, 3. het op orde krijgen van de eigen onderzoeksorganisatie en 4. ontwikkeling, verbreding en verdieping van het eigen onderzoekend vermogen van de opleiding(-en). De volgende punten dragen ze aan voor een gemeenschappelijke agenda:

  • Gemeenschappelijke ontwikkeling van onderzoeksmethoden en criteria voor ontwerpend onderzoek
  • Gemeenschappelijk gebruik faciliteiten en voorzieningen
  • Uitwisseling van ideeën en ervaring bachelor-master-werkveld
  • Onderlinge afstemming onderzoeksonderwerpen, (nodig/wenselijk
  • Meer samen optrekken in onderzoek of begeleiding vanuit masteropleidingen

Presentatie bacheloropleidingen

Ingrid Duchart (Wageningen UR) geeft een presentatie namens de masteropleidingen, de Academie van Bouwkunst Amsterdam, TU Delft en Wageningen Universiteit. Duchart zet de relatie tussen onderzoek en ontwerp neer en de criteria waar onderzoek aan moet voldoen. Vervolgens schetst ze een schema met vier kwadranten met ‘world views’, gehanteerde onderzoeksaanplakken in de ontwerpwereld: 1. Positivistisch, op basis van gegevens, bewijs, 2. Constructivistisch, verzamelen van gegevens op basis waarvan een eigen perspectief wordt geschetst, 3.Participatief/ Advocacy, de bevolking betrekkend en stellingnemend, 4. Pragmatisch, probleemgestuurd. Alle masters opereren in alle vier de domeinen, maar er zijn duidelijke verschillen in accenten. Wageningen beweegt zich het sterkts in het participatieve/stellingnemende en positivistische kwadrant. De Academie Amsterdam daarentegen zit met name in het constructivistische en pragmatische kwadrant. Delft tenslotte opereert vooral vanuit het pragmatische en participatieve/stellingnemende  kwadrant. Daarnaast zijn er verschillende wijzen waarop het onderzoek zich tot ontwerp verhoudt: onderzoek door ontwerpen, onderzoek voor ontwerpen, kennis (onder)zoeken tijdens ontwerpen en onderzoek naar ontwerpprojecten. Zie voor nadere toelichting en voorbeelden de presentatie hieronder. De volgende punten dragen ze aan voor een gemeenschappelijke agenda:

  • Ontwikkelen van een gezamenlijke taal
  • realiseren van door DSL-leden gerefereerde publicaties
  • Onderzoek naar ontwerpprocessen, didactiek en projecten
  • Ontwikkelen van wetenschappelijke criteria
  • Organisatie van een internationale conferentie in Nederland in 2018
  • Samen met DSL-leden een lezingenreeks opzetten

Presentatie masteropleidingen

Na de pauze was het woord aan Mark Eker (Provincie Noord-Holland). Namens de opdrachtgevers gaf hij een blik in de provinciale keuken. Hij onderscheidt drie richtingen waarvoor ontwerpend onderzoek wordt ingezet: 1. Intern > intern, 
doel: inspireren, oprekken van denken en ideeën over mogelijkheden bij collega’s, aanreiken van een conceptueel kader – een ‘bril’, steeds opnieuw zichtbaar maken van (werkwijze) Noord-Hollandse ontwerpteam in dominante ‘beleidsomgeving’. 2. Intern > extern, doel:
inspireren, maar ook expliciet (en toegepast) maken algemene provinciale beleidsuitgangspunten, aanreiken conceptueel kader – een ‘bril’
 met denkrichtingen als pleidooi voor integraal werken. 3. Extern – extern, als inbreng voor een integrerend product, met zelfde kennis (leveranciers) als basis 
(eenheid in benadering en taal betekent meer universele waarde). Doel: ‘helpen’ van regio’s / gemeenten met ruimtelijke vraagstukken. Dat zijn vaak relatief kleine, helder afgebakende opdrachten. Aan de hand van verschillende prakrijkvoorbeelden licht hij de richtingen en werkwijzen toe. Zie presentatie hieronder voor de voorbeelden.

Presentatie Opdrachtgevers – Mark Eker

Inge Kersten (H+N+S Landscape Architecten) sluit het sprekersgedeelte af namens de bureaus. Kersten schetst de onderzoeksactiviteiten die door bureaus worden uitgevoerd. Ze onderscheidt drie soorten onderzoek: 1. Onderzoek ten behoeve van ontwerp; eigen onderzoek of onderzoek gedaan met andere partijen als input voor het ontwerp. Het onderzoek staat ten dienste van de reguliere ontwerpwerkzaamheden. Er is in de commerciële omgeving van een ontwerpbureau niet altijd uitgebreid de ruimte voor – hier zit een bepaalde spanning. 2. Onderzoek en ontwerp lopen gelijk op; het proces is cyclisch en in het eindproduct zijn beide zaken in principe evenredig weerspiegeld. Deze vorm wordt vaak toegepast in zelf geïnitieerde projecten of prijsvragen waarmee nieuwe thema’s worden verkend en/of geagendeerd. In de commerciële omgeving van een bureau zijn dit soort projecten lastig te organiseren maar wel heel belangrijk volgens Kersten. Vaak moeten bureaus de opdrachtgever zelf vinden en werken met gereduceerde tarieven. Andersom zijn dit soort projecten heel vormend en voeden ze de kennisontwikkeling binnen het bureau. Deze kennis kan in andere projecten weer worden benut. Daarnaast gaat van deze projecten vaak een acquisitie kracht uit ten faveure van de ‘normale’ ontwerpprojecten. 3. Onderzoek door ontwerpers; veelal door bureaus zelf (mede)geïnitieerd en waarbij een opdrachtgever is gezocht. De ontwerpers formuleren zelf de onderzoeksvraag, gevoed vanuit een bepaalde fascinatie of onvrede. Het gaat hier om nieuwe thema’s waar in de reguliere ‘projecten’-praktijk onvoldoende aandacht (en tijd) voor is. Zie voor voorbeelden onderstaande presentatie.

Presentatie Bureaus – Inge Kersten

Interactieronde: negen tafels

In het tweede deel van de middag kunnen de deelnemers kiezen uit negen gesprekstafels. Tafel 1 t/m 3 zijn verdiepend op het thema ontwerpend onderzoek als begrip. Tafel 4 t/m 6 zijn gewijd aan ontwerpend onderzoek in concrete praktijkopgaven; Dijkversterking Tiel-Waardenburg, de prijsvraag Rethink Athens met een klimaatopgave en krimpopgave de Veenkoloniën. Tafel 7 en 8 zijn op de toekomst gericht; kansen voor ontwerpend onderzoek en mindmapping de rol van de landschapsarchitect. Tafel 9 is gericht op het leren binnen de context van onderwijs en praktijk.De verschillende tafelleiders koppelen de opbrengsten van hun tafelsessies terug aan de zaal in het afsluitende plenaire gedeelte.

Ontwerp- en onderzoeksprocessen lijken volgens de deelnemers van de sessie Het ontwerpproces ontrafeld (Tafel 1) sterk op elkaar. Daarmee is het een definitiekwestie, hoe frame of benoem je zaken. Daarnaast kun je proberen te benoemen waar deze processen aan zouden moeten voldoen, bijv. toepasbaarheid en transparantie. Aanpakken kunnen verschillen, maar de vraag moet zijn: hoe kun je methoden op een constructieve manier inzetten om nieuwe inzichten te genereren? In de sessie Tekenen als vorm van onderzoek (Tafel 2) gaat het o.a. over tekenen als vorm van observeren en het gezamenlijk tekenen als stap in een proces. Via tekeningen/verhalen vertaal je informatie voor multidisciplinaire teams, maak je dingen vergelijkbaar. Daarnaast is het ook een dataverzamelingsmethode. Door al tekenend zaken weg te laten, maak je snelheid en help je om tot de essentie te komen. Tekenen is een goede methode om in de plananalyse een hypothese te testen. Het benadrukt tevens de eigen stijl. Een veelzijdig onderwerp, waar de meningen verdeeld over zijn.

Tafel 3 gaat Op zoek naar de grens tussen ontwerp en onderzoek. Een sessie waarin een hoop vragen worden gesteld. Moet je de ontwerper binnen een raamwerk laten werken, of vrij laten? Beïnvloeden je met een kader het onderzoek? Intuïtief handelen, de rol van ervaring; minder regels stimuleren ontwerpend onderzoek, vergelijk het met de beeldende kunst. Hierbij hoort een houding van bewust, reflecterend werken. Hoe ga in de opleiding om met verschillende niveaus? Is verbinding tussen onderzoek en de praktijk altijd noodzakelijk? Hoe kan opgedane kennis breder toepasbaar worden gemaakt? Is praktijkgerichte kennis minder houdbaar? Creatief is niet identiek aan artistiek. Wat goed onderzoek is, is afhankelijk van het wetenschappelijk paradigma waarbinnen het plaatsvindt. De integrerende kennis en kunde van de ontwerper zou als vertrekpunt kunnen dienen. Oplossingdenken is een valkuil voor ontwerpers. Moeten onderzoekers hun focus meer richten op de praktijk? De analyse van concrete projecten kunnen leiden tot conclusies die gegeneraliseerd kunnen worden. Oftewel: onderzoek kan principes en patronen leveren aan de praktijk.

In de praktijktafels 4, 5, en 6 gaan deelnemers in gesprek over concrete cases. Aan bod komen de rol van bewoners, kwaliteit van gebruikte data en de rol van de landschapsarchitect als integrator. Is de landschapsarchitect generalist of specialist? Op welke schaal moet je een opgave aanvliegen? En wat is de plek en vorm van scenario’s binnen opgaven? Klimaatopgaven zijn een landschapsarchitectonisch thema. De landschapsarchitect kan hier een brugfunctie tussen ontwerp en onderzoek vervullen. Elke context vraagt om eigen gereedschap. Goede inspiratie en hulp biedt het nieuwe boek over methodologie van Adri van den Brink c.s.

Kansen voor ontwerpend onderzoek (tafel 7) liggen er volgens deelnemers in ruimtelijke vraagstukken, lange termijn onderzoek, opgaven waar nog geen beelden of goede articulatie bij bestaan en virtual reality. Er is wel meer helderheid/overeenstemming nodig over middelen en methoden. Leren kunnen landschappers o.a. van andere ontwerpdisciplines en de reclame. Voor het achterhalen van De rol van de Landschapsarchitect (tafel 8) maken de deelnemers een mindmap.

Trends met ruimtelijke gevolgen of gevolgen voor het werk van de landschapsarchitect zijn klimaatverandering, bevolkingsgroei en de trek naar de stad. Digitalisering en toename kennisdeling leidt tot mondige burgers. De mobiliteit verandert en er zijn veranderingen in de economie en gezondheid. De landschapsarchitect kan een rol oppakken als facilitator, specialist en verbinder. Van tafel 9, Leren in de context van onderwijs en praktijk, is helaas geen verslag gemaakt.

In de avond is in klein comité verder gepraat over de opbrengst en het vervolg van het symposium. Lees het verslag hier